|
Serinus (Ochrospiza) atrogularis
Dit geslacht kent een negental ondersoorten waarbij er enkele zijn die duidelijk van elkaar verschillen en waaraan ook aparte niet weten-schappelijke namen zijn toegekend. Heel vaak worden ze allemaal Geelstuit edelzanger genoemd. Alhoewel ze allemaal wel een gele stuit hebben, is generalisering van deze naam onjuist. Verspreiding en ondersoorten: Geelstuit edelzanger S.a. Rotschildi, Oost Arabie; S.a.xanthopygius, Noord Ethiopie. Reichenow edelzanger, S.a.reichenowi, Noordoost Tanzania. Zwartkeel edelzanger, S.a.somereni, Oost Zaire, West Oeganda en West Kenia; S.a.iwenarum, Zuid Zaire, Angola. S.a.atrogularis, Zimbabwe en West Transvaal; S.a. impiger Zuidoost Transvaal, West Natal en noordelijke Kaap provincie S.a.semideserti, Zuid Angola, Noord Namibie, Zuid sambia S.a.deserti, Zuidwest Angola en Noordwest Namibie Lengte naar gelang de ondersoort 10,5 tot 11,5 cm. Bij de geelstuit edelzanger is er geen duidelijk verschil tussen man en pop. Bij de Reichenow edelzanger is het geslachtsonderscheid nauwelijks te onderkennen; de witte tekening op het kopje is bij de popjes wat smaller. Bij de zwartkeeledelzangers zijn de verschillen tussen man en pop eveneens gering.
|
|